Hoeveel dromen passen in een tram

 

Zondag 4 oktober barstte de foyer van ’t Kapelletje zowat uit zijn voegen bij de derde Gedichtensalon.

Beginnende en gearriveerde schrijvers lazen hun gedichten voor een geïnteresseerd en aandachtig publiek. Onnavolgbare biologiekolder van Hans Wap, direct poetry van Wouter van Heiningen, dierenverhalen van Liesbeth Mende, de van warmte overlopende gedichten van Jan de Grauw en de ernst van Frans Olsthoorn (verantwoordelijk voor de prachtregel boven dit stukje), alles wist zijn plaats te vinden, omlijst door de mooie liedjes van Maaike Siegerist.

 

Reinier van Mourik

Een speciaal woord voor Rien Vroegindeweij, die de middag met tijdloze sonnetten opende.

Hieronder een exemplaar:

 

Haar huisgedichtensalon 4 OKT klein3

 

De steen verkleurt, het voegwerk scheurt,

de drempel waarover zij als bruid gedragen werd

raakt uitgesleten, het fundament verzakt, de deur

klemt alsof de toegang tot haar is versperd.

 

Minder licht, de gordijnen blijven langer dicht,

er wordt meer dan anders en door anderen aangebeld.

Wie op haar huis toe loopt lijkt vervuld van plicht,

is trager in zijn gang en zichtbaar reeds ontsteld

gedichtensalon 4 OKT klein

door wat haar overkwam: zij droeg haar schoonheid

als een vlam, brandend in een kandelaar van goud

en waar zij kwam of ging was men verrast, verblijd.

 

Nu gaat men stil haar donker huis voorbij

– dat door woekering is aangetast, haar vlam is koud –

en vraagt: waarom,  waarom nu, waarom zij?

 

Rien Vroegindeweij

 

gedichtensalon 4 OKT klein2